HEADER
 

Bloed, slijm en gal: Humorenleer

Artsen doen praktisch werk: ze proberen hun patiënten te genezen. Maar hoe ze dat werk aanpakken, hangt af van hun theoretische denkbeelden. Wanneer je denkt dat een ziekte veroorzaakt wordt door een bacterie of een virus, probeer je dat virus te bestrijden. Maar wanneer je denkt dat de oorzaak niet ligt in een invasie van buitenaf, maar een verstoring van het innerlijke evenwicht van het lichaam, dan ga je op zoek naar een manier om dat evenwicht te herstellen - bijvoorbeeld door toedienen of wegnemen van de stoffen die er teveel of te weinig aanwezig zijn.

In de oudheid en de middeleeuwen werkten veel artsen op basis van de humorenleer. Volgens deze leer bestaan er vier lichaamssappen: bloed, slijm, zwarte gal en gele gal. In een gezond lichaam zijn deze sappen met elkaar in evenwicht. Bij ziekte is het evenwicht verstoord: er is dan te veel of te weinig van een van de lichaamssappen. Behandeling is gericht op herstellen van het evenwicht. Zo zal een arts opdracht geven tot aderlaten wanneer de symptomen wijzen op een teveel aan bloed.

Na de middeleeuwen is de humorenleer langzaam vervangen door andere theorieën. Een nieuw idee was bijvoorbeeld dat een ziekte het gevolg was van een afwijking op een bepaalde plek in het lichaam (en niet een verstoring van het gehele evenwicht). Behandeling werd steeds chirurgischer. Door een andere theorie ontstond ook een andere praktijk.

Mogelijke vraagstellingen:

Bronnen: (in voorbereiding)

plaatje